Spring naar inhoud

Oorlog is niet kieskeurig

4 mei 2018 – Toeval of niet: de afgelopen dagen bezocht ik de Duitse stad Münster, op zo’n tweeënhalf uur rijden van Utrecht. In het museum van de stad heb ik lang stilgestaan bij de afdeling Tweede Wereldoorlog. En vanmiddag, 4 mei, leg ik bij oorlogsgraf nummer 25 op de Leusderhei een bloemetje voor een oom die ik nooit heb gekend. Albert Cornelis Nout (34) kreeg op die plek of daar in de buurt op 5 februari 1943 de kogel op last van de nazibezetter. In de dood volgde hij zijn jongere broer Jan die ook in het verzet zat en die in mei 1942 in Sachsenhausen ter dood werd gebracht.  Op de avond vóór zijn executie schrijft hij een afscheidsbrief aan zijn Indische moeder en aan zijn broers en zussen. Uit die brief blijkt dat hij gehoord heeft dat broer Albert ook is gepakt. ‘Jongen, dat had ik niet gedacht.’

Zijn woorden getuigen van een ongelooflijke moed om ‘de soldatendood’ onder ogen te zien.  Maar tegelijk laat deze brief  het wrede gezicht van de oorlog zien.

In Münster was dat gezicht niet anders. De geallieerde bombardementen vaagden in 100 luchtaanvallen 92 procent van de stad weg. 1300 bewoners kwamen om. Een wand met honderden rouwadvertenties uit de kranten van die dagen laat  zien hoe ook daar gaten in families geslagen werden. Ik citeer er een:

‘Hij vond de heldendood: Paul Winkelhaus (34), korporaal van het Infanterie Regiment – Stalingrad, 12 december 1942’.

Een poster die na de val van Berlijn werd gedrukt schreeuwt ‘Cijfers klagen aan: 20.000 Joden uit onze stad weggevoerd, 12.000 burgers in concentratiekamp omgekomen, 1.000 gehandicapten omgebracht’,‘Hitler was ons ongeluk’ en bij wijze van vermaning ‘Houd dit altijd in gedachten’.

Ik dwaal verder op de expositie. Ik sta oog in oog met een nagebouwde schuilkelder. Een sleets knuffelbeertje ligt achteloos op een verveloos bankje. Maar het epicentrum trekt alle aandacht: een opstelling van een gaswiegje en een gasjasje. Voor kinderen was het gasmasker te groot, daarom werden speciale bedjes en jasjes gemaakt, waarin het kindje volledig ingepakt zat. Op zo’n jasje of bedje zat een ventiel waarop een blaasbalg met luchtfilter werd aangesloten. Al trappend op die blaasbalg diende de vader of de moeder het kindje zuivere lucht toe. Zo ongeveer maakt de gebruiksaanwijzing me de werking duidelijk. Het boekje waarschuwt nog, dat het gasbedje en -jasje beschermen tegen alle chemische aanvallen, maar niet tegen koolgas.

Twee geschiedenissen van buren die door de eeuwen heen aardig goed met elkaar overweg konden. Gewone mensen willen allemaal een goed leven. Maar sluipt het wij-zijdenken toe, dan balt de vuist zich al in de zak. Oorlog is niet kieskeurig, al denken tirannen van wel.

Mijn verhaal over de afscheidsbrief:

https://werendgriffioen.wordpress.com/2010/05/04/brief-uit-concentratiekamp-sachsenhausen-2/

Advertenties

De Bietebauw van Vlaanderen

(13 maart 2018) – Nooit gedacht dat ik nog eens in een donkere nis van de Vlaamse letteren terecht zou komen. Onlangs plofte het jaarbericht van het René Declerq-genootschap uit het plaatsje Deerlijk bij Kortrijk op de mat.

Declerq was schrijver en dichter, maar ontpopte zich rond de Eerste Wereldoorlog ook als militant propagandist voor het Nederlands in het vrijwel geheel verfranste Vlaanderen. Een van zijn grootste wapenfeiten was de terugkeer van het Nederlands op de universiteit van Gent. Toch bleven de autoriteiten hem zien als een gevaarlijke oproerkraaier die bovendien nog verdacht werd van sympathieën voor het opkomende Duitse nationaalsocialisme. Daardoor misschien is hij in het stoffige rommellaatje van de Nederlandse literatuur blijven liggen. Hoogstens de papieretertjes doen er zich nog te goed aan.
Maar zijn hart klopt toch nog steeds in het kindervers ‘De Bietebauw’. Ouders die eens wat anders willen dan ‘Jip en Janneke’ stuiten via internet op het monster dat Declerq creëerde.

Jarenlang heb ik dit tekstjuweel gehouden voor een anoniem Vlaams volksverhaaltje. Het gaat over een soort bullebak die de kinderen schrik aanjaagt met een kop ‘zonder lip en zonder tand’. Maar suja: als kindje braaf is, jaagt mama dat duistere sujet subiet naar de stouteriken toe. Met vilein plezier lees ik het gedichtje wel eens voor aan kinderen. Ondertussen zie ik aan hun gezicht hoe ze griezelen en toch ook weer gerustgesteld raken als het monster het hazenpad kiest. Ik heb er een voorleesboekje van gemaakt met plaatjes van mezelf in de rol van de Bietebauw.

Als eerbetoon aan de schrijver heb ik een exemplaar naar het René Declerqmuseum in Deerlijk gebracht. Het recente jaarbericht van het genootschap wijdt er een alleraardigst verslagje aan.

René Declerq was voor de gezagsdragers van toen ook een Bietebauw. Zijn ongetemde baard à la Karl Marx versterkte het beeld van de woesteling nog eens. Hij riep de onafhankelijkheid van Vlaanderen uit. Daarvoor werd hij ter dood veroordeeld. Hij verliet zijn geliefde Vlaanderen en nam zijn intrek in een mansardewoning in Hollandsche Rading bij Utrecht. Daar stierf hij in 1932.

Het schrijfhok van René Declerq. Hij is in 1932 gestorven. Hier lijkt het alsof hij elk ogenblik zijn pen weer kan oppakken.

 

Schoonheid gaat nooit verloren

(8 februari 2018) – Gisteravond weer eens ‘tussen kunst en kitsch’ gekeken. Ik wist dat mede-Utrechter en tv-journalist Cees Grimbergen met iets aparts zou komen. Er passeerden een Delftsblauw bordje, een Egyptisch dodenmasker, een Chinese Boeddha en een gecraqueleerde olieverf, voorstellende ‘Joods meisje met bloem’. ‘Misschien wel een Rembrandt’ zeiden de eigenaren. In hun ogen zag ik de hoop op de klapper van hun leven. ‘Leuk decoratiestukje, maar tot uw troost taxeer ik de lijst op honderd euro ’ boorde de expert hun verwachtingen met een scheutje empathie de grond in.

Daarna kwam de tafel in beeld, of beter De Tafel. Dan weet ik dat er iets bijzonder komt. De familie Grimbergen schoof aan. Zusje stak van wal, oudere broer Cees vulde aan. De camera zwenkte naar het stuk: een houten Golgotha-voorstelling met Christus aan het kruis en Maria Magdalena aan de voet van dat kruis. ‘Het is al zo lang ik me kan herinneren in de familie,’ zei Cees. ‘Niemand wilde het hebben, dus heb ik het maar onder mijn bed gelegd.’

De expert oordeelde dat het stuk ‘onmiskenbaar Antwerps’ was. ‘Dat zie je aan de bolle kop van Jezus en ook van Maria Magdalena.’ De tijd van ontstaan vermoedde hij vroege 16e eeuw, laat-gotisch. Maar de Renaissance gloort er al doorheen, zag hij aan de zalfpot van Maria Magdalena. De waarde schatte hij op tienduizend euro. De verrassing op de gezichten van de Grimbergens spatte door het tv-scherm. Maar misschien zag ik ook lichte gêne dat het stuk bij niemand gewild was. Of Golgotha weer onder zijn bed zou verdwijnen, liet Cees in het midden.

‘Tussen kunst en kitsch’, critici noemen het programma dat al twintig jaar of langer op de buis meegaat ‘sleets’ en ‘oubollig’. Ik geef het toe, na het honderdste Goudse plateelstel of Parijs bronzen klokje of de ‘fraai gegraveerde Rijnlandse roemer’ schemert mijn interesse weg. Toch blijf ik fan. Bij verlies van gezondheid, geliefden, werk laten die oude voorwerpen ons weten dat schoonheid nooit verloren gaat. Honderden en soms duizenden jaren oud bieden zij ons zekerheid in ons onvast bestaan.

Frêle vrouw à 300 pond

Sien

Sien weegt 300 pond. Met haar 160 cm lengte zou je denken aan een omvangrijke dame. Maar niet.

Sien is een en al streling voor het oog. Te beginnen bij haar kleine borstjes. Ze steken pront vooruit. Haar buik heeft de vorm van een ovaaltje dat lichtjes bolt en dat eindigt in een zachte vallei. Die vallei loopt uit in bevallige dijen. Haar fijn gesneden gezicht met hoge jukbeenderen zou je de droom van elke klassieke kunstenaar kunnen noemen.

Sien is bezig. Met een natuurspons wast ze haar lijf. Dat doet ze al sinds 1965, want zolang al staat ze in onze tuin. Het is een waterbeeld.  De mooiste plek voor haar zou daarom aan het water zijn. Maar de oever langs onze watergang is te drassig. Daarom heeft ze altijd bij de coniferenhaag gestaan. In vijftig jaar groeide die haag uit tot een amper te beteugelen plaag. Vorig jaar hebben we hem gerooid. En ineens stond onze Sien in een zinloze leegte.

Vandaag is ze verplaatst. Naar een hoek in de tuin. Achter haar rug groeit een nieuw decor van klimplanten.  Vader en zoon Jongerius van de gelijknamige firma in grafmonumenten kwamen met een middeleeuwse handkraan. Sien kreeg een strop onder haar oksels. Met een lier werd ze van haar sokkel getild. Vader en zoon schoven het mechaniek waar ze aan hing drie meter verder. Ze dolven een nieuw gat waar de sokkel weer in kwam te staan. En zachtjes kwam Sien daarop terecht.

Vader Jongerius wist te vertellen dat het origineel van Sien in het museum van Napels staat. Een naamloos gebleven Romeinse beeldhouwer hakte haar ooit uit een brok zuiver wit Carrara marmer. Maar hoe ze daar heet wist hij niet. Voorlopig blijft Sien dus Sien.

Ze weet zich met haar nieuwe plek in onze tuin weer in de rug gedekt. Het geeft haar de veiligheid die ieder kwetsbaar schepsel nodig heeft.

IMG_0528

Menno Jongerius zet Sien op haar nieuwe plek.

Paasmijmering

24 maart 2016 – Gisteren bij de uroloog geweest voor controle op specifiek antigen van de prostaat. Drie jaar geleden bleek dit regelaartje van erectie en stuwing van sperma vol kanker te zitten.  De beslissing was gauw genomen: eruit met het maatje dat mijn mannelijk genoegen zoveel jaren trouw had gediend. Het consult gisteren bracht mijn gedachten terug naar de operatietafel in het Antoniusziekenhuis.

Daar lag ik in mijn tochtige operatiehemdje. Schrik voor de uitname van het orgaantje zelf had ik niet. De dokters hadden me voorgelicht hoe de operatie zou gaan. De uitdaging zat ‘m in het  sparen van de zenuwen die vrijwel op de prostaat liggen. Om dit voor mekaar te krijgen zou ik met de operatierobot geholpen worden. Zwager F. die er zelf als chirurg – maar dan bij dieren –  tientallen jaren op had zitten was enthousiast. ‘Die robot bibbert tenminste niet.’

Ik was wel bang voor de narcose. Het heeft iets van tijdelijk doodgaan, maar wat als je dood uit je narcose wakker wordt? Ik lag bloot en machteloos op de gladde operatietafel. Ik keek in het gezicht van de anesthesist die een niets-aan-de-handpraatje met me begon. Ik hoorde een Vlaamse tongval en ik stelde hem een net zulke niets-aan-de-handvraag. ‘Hoe komt u toch aan dat accent?’

  • ‘Awel, ik zijn geboren in Antwerpen, hè. Dan krijgt ge dat.’

Zijn luchtige antwoord gaf me moed om de hamvraag te stellen.

  • ‘Dokter, ik ben zo bang dat ik in de narcose doodga. Merk ik dat?’
  • ‘Nee. Maar wees gerust, we hebben alles goed in de hand.’
  • ‘Ja, maar als het toch gebeurt, zie je dan een tunnel?’

‘Dat weten we niet. Maar mocht het zover komen en ge ziet bovendien een licht, waarschuw me dan.’

Met Tante Zuster in de V&D

24 februari 2016 – V&D is niet meer. Maar herinneringen blijven.

Tante Zuster stond 25 jaar in de broodkeuken in het klooster van de Zusters van Liefde in Tilburg. Zij had een horrelvoet waaraan in de jaren 50 niks te doen was. Om ook bij een zuchtje wind overeind te blijven droeg ze stevige orthopedische stappers.

Op een dag kwam ze voor familiebezoek naar Utrecht. De V&D, toen nog aan de Lange-Viestraat, mocht niet ontbreken op haar dagje-uit. Tante Zuster had wel aangekondigd dat ze ‘voor geen goud’ de roltrap op ging.’Dit moet je een keer meegemaakt hebben,’ overtuigde de familie haar. ‘We leren je wel hoe je erop en eraf moet.’ Spannend, vond ik als neefje en ik ging mee.

Achter haar posteerden twee ooms zich om haar bij een val op te vangen. Maar wonderwel zweefde tante Zuster al op de eerste tree soepeltjes naar boven. Maar met de volgende etage in zicht riep ze met bibberstem naar achteren, hoe moet ik eraf? Maar het was te laat. Ze stortte ruggelings naar beneden in de stevige armen van mijn ooms. Intussen zoefde de roltrap door. De ooms wisten haar in half scheve houding op te duwen naar de vaste vloer.

Nog een geluk dat haar habijt niet tussen de treden was gekomen.

 

Kloosterfoto Lyda Griffioen.

Wonderwel zweefde tante Zuster soepeltjes naar boven.

Griep!

1 februari 2016 – Vanochtend in bed blijven liggen. Het zat er al aan te komen. Vorige week een gemene tinteling in mijn lip. Een hoestje. Beetje stijf in de knoken. Gisteren brak-ie dan door: de griep. Sta ik ’s middags in de tuin nog haardhout te kloven, een paar uur later zit ik met een dikke deken om me heen te nippen aan een glas hete citroendrank met aspirine d’rin verkruimeld. Ik troost me dat ik de enige niet ben. 84 op elke 100.000 inwoners heeft het, zegt het RIVM. Ze vermelden er vrolijk bij dat een paar jaar geleden 60.000 zielen het leven lieten, 8.000 stuks meer dan begroot. Drastische maatregelen zijn dus geboden.

Het ergst is de nacht. Door de horizontale ligging stuwen de bronchiën het slijm makkelijker naar de neus. Eenmaal daar gearriveerd droogt het op tot een dikke prop. In halfslaap doe je je mond open om toch maar aan lucht te komen. Tot je ontdekt dat je kussen kleddernat is van de kwijl. Neus snuiten heeft geen zin, want de prop zal alleen maar groter zijn geworden. Bovendien wil ik mevrouw G. die heerlijk naast me ligt te ronken niet wakker maken. Ik hoor de eerste vogels kwetteren. Ik zie een mauve waas van licht ergens op de wand. Ik wou dat het halfzeven was. Voor een stomend hete douche die de enorme prop in mijn neus oplost. Maar zover is het nog lang niet.

Ik dommel weg en zie mezelf naar de keuken sluipen. Uit de lade vis ik een grootverpakking satéstokken, van die lange. In mijn ellende heb ik geen keus. Met een zo’n spies peur ik een beetje in mijn neus. Het kriebelt meer dan dat het pijn doet. Ik duw verder. Tot ik op weerstand stuit. Kraakbeen zeker. Ik moet er langs om die vermaledijde prop door te prikken. Ik draai de houten spies en vind een doorgang. Nu flink zijn! Zo erg kan het niet worden, want voorbij de neus kom je uit in de holle ruimte van je voorhoofd. Ik stoot door. Eensklaps zie ik het aanrecht rood kleuren. Bloed en het houdt voorlopig niet op.

Ik mag hopen dat ik ook bij deze griepepidemie niet onder de sterfgevallen buiten of binnen begroting val.

Spuitje

 

10 maart 2014 –  Al maanden zitten we te hopen dat de Heer van de Poezenhemel ons katertje komt halen. Tikkel – want zo heet hij – kwam achttien jaar geleden ter wereld. Samen met zijn zusje Flamoesje kwam hij in ons gezin. Amper drie maanden later dolven we een grafje voor haar. Een pizzabrommertje had haar vol geraakt, met fatale afloop. We ontstaken twee kaarsen, besprenkelden het lijkje met Lourdeswater, en lieten haar drie spades diep zakken. Ik sprak een in memoriam: zoals ze geleefd heeft is ze gestorven, een avonturierster die voor de duvel niet bang was en al slalommend door het drukke verkeer op haar prooi (een muis, een vogel, een vlinder?) af ging.

Maar Tikkel toonde zich toen al geen jager. Zijn risico-arme leven heeft hem heel wat jaren geschonken, tot op vandaag toe. Zijn liefste plekje is op de bank, op zijn vaste lap. Jonge vogels uit nestjes trekken, hij doet er niet aan. Het kan nog sterker. Op een ochtend zag ik in de keuken een merel bezig kattenbrokjes te pikken uit Tikkels bakje. Hij stond erbij en keek ernaar. Wat een joris-goedbloed!

Op een zomeravond twee jaar terug vonden we hem voor dood op zijn lap liggen. Een injectie met prednison en gemalen astronautenvlees maakten hem weer springlevend. ‘Dit doen we niet nog een keer,’ sprak dokter B. gezagvol. ‘In wezen is-ie op.’

Maar dat heeft toch nog vier kilo lang moeten duren. De weegschaal geeft nu 891 gram aan. Ik moet vrezen dat de dierenpolitie mij in de boeien slaat als ze Tikkel zien: vel over been, gammel op de poten, holle oogkassen waaruit het traanvocht overvloedig stroomt. Zoals bij heel oude mensen. Hij krijgt 3, 4 porties seniorenvoer per dag maar hij poept het net zo hard weer uit. Afgelopen zondag heeft zwager F. die ook dierenarts is naar de wegterende patiënt gekeken. We vinden het mooi als Tikkel in de schoot van de familie een spuitje krijgt. Maar we deinzen er ook voor terug. Ondraaglijk lijden zou een geweldig argument zijn. ‘Maar,’ zegt F. ‘we weten dat niet.’ En eigenlijk kan ik dat ook niet geloven, als het beessie zijn fluwelen neusje in mijn gezicht duwt en spint dat het een lieve lust is.

Heer o Heer van de Poezenhemel, kom!

_MG_0279

Naar de kapper

3 maart 2014 – Vanochtend naar de kapper geweest. Het werd ook tijd ook. Mijn broer M. die ik na maanden weer eens zag begroette me met ‘Ugh, brrroederrr Winnetou’. Mijn echtgenote K. riep me vorige week met overslaande stem toe: ‘logisch dat je sollicitaties op niks uitlopen.’ Ik sputterde dat mooi lang haar niet lelijk is. En wat dan nog: ik hoef al jaren niet meer jasje-dasje naar kantoor. Laat mij maar lekker in mijn hol zitten, achter de computer stukjes schrijven. Sigaretje erbij en de thermo koffie onder handbereik. Heerlijk toch!

Maar voor de holbewoner die ik inmiddels was geworden bleek een uitstapje naar de dagopvang voor daklozen een onthullende verrassing. Ik kende die mensen alleen van hun uitgestoken hand op het station of bij de bushalte. Van een paar meter afstand vragen ze steevast: ‘meneer, mag ik u wat vragen?’ In het begin trapte ik er in. Je denkt, iemand die verdwaald is zeker, kleine moeite om hem de weg te wijzen. Maar het blijkt om geld te gaan. Ze zijn nog niet klaar met hun prevelementje en hup, daar werp ik al een munt in de uitgestoken hand. Tegenwoordig roep ik pesterig naar een haveloze die vraagt of hij mij iets mag vragen: maar dat doet u al. Maar de humor is niet besteed aan ze.  Daar hebben ze geen tijd voor. Ze moeten meters maken in de stad om hun euro’s te scoren.

In de dagopvang was het anders. Onder mijn lange haar en mijn verwassen Tenson schuilt een jongen die donders goed weet  dat je met een geschoren en gekapte kop het verste komt, wat voor etterbak je verder ook bent. Ik voelde een onaangename werveling van spanning in mijn buik. ‘Je moet wel een stootje kunnen velen,’ had de coördinatrice van de dagopvang mij gewaarschuwd. Maar met een hoop losse munten in mijn zak wist ik me goed voorbereid. Maar geen dakloze die mij erom vroeg. Plots zag ik mezelf in de spiegel van de bar waar kommen met erwtensoep werden gevuld. ‘Holy moly, ze zien me vast als een van hen,’ denderde het bij mij naar binnen. Zo was het. In de rookhoek schoot een graatmagere oude rocker mij aan: ‘Heb jij nog wat gescoord?’ Ik zag blauwe plekken op de rug van zijn hand.

Die afspraak bij de kapper stond al een dag of tien. Dus daar niet van. Ik rekende € 38,50 af.Buiten blies de wind koude lucht over mijn uitgedunde schedel.

Kelder blank

14 oktober 2013  – Van de week wateroverlast gehad. Ik zat tv te kijken, het ging over smeltende ijskappen. In die weidse witte druipende vlakte zag ik een ijsberenjong op een afdrijvende schots. Het beestje stak zijn snuit omhoog of het de windrichting aan het peilen was. Maar ik vergiste me, er ontsnapte een klagend geloei uit de kleine muil. Ondertussen zag je het lekkende smeltwater zich tussen de keien en de ooit eeuwige sneeuw een weg zoeken naar open zee.

Maar of de tragische schoonheid van de pool me aan het gek maken was het gedrup en gelispel van water was ineens heel dichtbij. Te dichtbij. Ik voelde mijn wangen aangloeien van schrik en ongeloof tegelijk.  Het had de hele ochtend geregend en niet zo’n beetje ook. Er drong zich een uiterst ongemakkelijke waarheid aan mij op: de kelder stond blank.

Ik liet het beertje maar aanploeteren, sprong op uit mijn stoel en rende naar het vooronder van het huis. Mijn oren hadden me niet bedrogen, ik zag wat ik zag: een watervlakte met drijvende stukken timmerbalken en -panelen, tientallen verfblikken, duizenden vrolijke legoblokjes en tientallen Mepal borden en kopjes voor op de camping. De zak met de tent was nog niet losgekomen van de vloer en lag er lui als een eiland  bij. Eraan vastgeklauwd zat een muizelijkje. Ik voelde eraan. Het was koud. Of het een actuele drenkeling was, dan wel een oud overschotje, we zullen het niet weten.

In het schemerlicht zag ik de herkomst van het water. Onder de kelderdeur door die buiten van binnen scheidt saste het naar binnen. Ik rende naar de blubbersloot achter waar ik een dompelpomp had liggen.  Met slang en al sleurde ik het apparaat door het huis naar de kelder. Mevrouw G. riep nog: je maakt het tapijt vies. Maar ik wist: ik heb een hoger belang.

Ik sloot de boel aan, op risico van een electrische schok (en dan nog een kelderlijk erbij), maar de zegen was met mij.  Weldadig ronkte het motortje van de pomp en uit de slang op straat vloeide een gestaag stroompje . Er kwam rust over mij. In die rust bedacht ik waarom heb ik al die spullen hier eigenlijk liggen. We doen er al jaren niks meer mee. Al dat timmerhout, de verf, die Lego, de tent: deze kelder is één groot weeshuis van voornemens, want geen tijd, geen geld, geen zin.

De ruimte onder het huis is weer droog. Grote dochter L. is gekomen. Het woord Orde staat in haar hart gekerfd. Ze heeft drie hoeken in de kelder gemaakt: 1. Gooi weg, 2.. Nog bruikbaar, 3. Marktplaats. De lente is gekomen. Al spreken vallend blad en zwiepende regens heel andere taal.