Skip to content

Frêle vrouw à 300 pond

Sien

Sien weegt 300 pond. Met haar 160 cm lengte zou je denken aan een omvangrijke dame. Maar niet.

Sien is een en al streling voor het oog. Te beginnen bij haar kleine borstjes. Ze steken pront vooruit. Haar buik heeft de vorm van een ovaaltje dat lichtjes bolt en dat eindigt in een zachte vallei. Die vallei loopt uit in bevallige dijen. Haar fijn gesneden gezicht met hoge jukbeenderen zou je de droom van elke klassieke kunstenaar kunnen noemen.

Sien is bezig. Met een natuurspons wast ze haar lijf. Dat doet ze al sinds 1965, want zolang al staat ze in onze tuin. Het is een waterbeeld.  De mooiste plek voor haar zou daarom aan het water zijn. Maar de oever langs onze watergang is te drassig. Daarom heeft ze altijd bij de coniferenhaag gestaan. In vijftig jaar groeide die haag uit tot een amper te beteugelen plaag. Vorig jaar hebben we hem gerooid. En ineens stond onze Sien in een zinloze leegte.

Vandaag is ze verplaatst. Naar een hoek in de tuin. Achter haar rug groeit een nieuw decor van klimplanten.  Vader en zoon Jongerius van de gelijknamige firma in grafmonumenten kwamen met een middeleeuwse handkraan. Sien kreeg een strop onder haar oksels. Met een lier werd ze van haar sokkel getild. Vader en zoon schoven het mechaniek waar ze aan hing drie meter verder. Ze dolven een nieuw gat waar de sokkel weer in kwam te staan. En zachtjes kwam Sien daarop terecht.

Vader Jongerius wist te vertellen dat het origineel van Sien in het museum van Napels staat. Een naamloos gebleven Romeinse beeldhouwer hakte haar ooit uit een brok zuiver wit Carrara marmer. Maar hoe ze daar heet wist hij niet. Voorlopig blijft Sien dus Sien.

Ze weet zich met haar nieuwe plek in onze tuin weer in de rug gedekt. Het geeft haar de veiligheid die ieder kwetsbaar schepsel nodig heeft.

IMG_0528

Menno Jongerius zet Sien op haar nieuwe plek.

Paasmijmering

24 maart 2016 – Gisteren bij de uroloog geweest voor controle op specifiek antigen van de prostaat. Drie jaar geleden bleek dit regelaartje van erectie en stuwing van sperma vol kanker te zitten.  De beslissing was gauw genomen: eruit met het maatje dat mijn mannelijk genoegen zoveel jaren trouw had gediend. Het consult gisteren bracht mijn gedachten terug naar de operatietafel in het Antoniusziekenhuis.

Daar lag ik in mijn tochtige operatiehemdje. Schrik voor de uitname van het orgaantje zelf had ik niet. De dokters hadden me voorgelicht hoe de operatie zou gaan. De uitdaging zat ‘m in het  sparen van de zenuwen die vrijwel op de prostaat liggen. Om dit voor mekaar te krijgen zou ik met de operatierobot geholpen worden. Zwager F. die er zelf als chirurg – maar dan bij dieren –  tientallen jaren op had zitten was enthousiast. ‘Die robot bibbert tenminste niet.’

Ik was wel bang voor de narcose. Het heeft iets van tijdelijk doodgaan, maar wat als je dood uit je narcose wakker wordt? Ik lag bloot en machteloos op de gladde operatietafel. Ik keek in het gezicht van de anesthesist die een niets-aan-de-handpraatje met me begon. Ik hoorde een Vlaamse tongval en ik stelde hem een net zulke niets-aan-de-handvraag. ‘Hoe komt u toch aan dat accent?’

  • ‘Awel, ik zijn geboren in Antwerpen, hè. Dan krijgt ge dat.’

Zijn luchtige antwoord gaf me moed om de hamvraag te stellen.

  • ‘Dokter, ik ben zo bang dat ik in de narcose doodga. Merk ik dat?’
  • ‘Nee. Maar wees gerust, we hebben alles goed in de hand.’
  • ‘Ja, maar als het toch gebeurt, zie je dan een tunnel?’

‘Dat weten we niet. Maar mocht het zover komen en ge ziet bovendien een licht, waarschuw me dan.’

Met Tante Zuster in de V&D

24 februari 2016 – V&D is niet meer. Maar herinneringen blijven.

Tante Zuster stond 25 jaar in de broodkeuken in het klooster van de Zusters van Liefde in Tilburg. Zij had een horrelvoet waaraan in de jaren 50 niks te doen was. Om ook bij een zuchtje wind overeind te blijven droeg ze stevige orthopedische stappers.

Op een dag kwam ze voor familiebezoek naar Utrecht. De V&D, toen nog aan de Lange-Viestraat, mocht niet ontbreken op haar dagje-uit. Tante Zuster had wel aangekondigd dat ze ‘voor geen goud’ de roltrap op ging.’Dit moet je een keer meegemaakt hebben,’ overtuigde de familie haar. ‘We leren je wel hoe je erop en eraf moet.’ Spannend, vond ik als neefje en ik ging mee.

Achter haar posteerden twee ooms zich om haar bij een val op te vangen. Maar wonderwel zweefde tante Zuster al op de eerste tree soepeltjes naar boven. Maar met de volgende etage in zicht riep ze met bibberstem naar achteren, hoe moet ik eraf? Maar het was te laat. Ze stortte ruggelings naar beneden in de stevige armen van mijn ooms. Intussen zoefde de roltrap door. De ooms wisten haar in half scheve houding op te duwen naar de vaste vloer.

Nog een geluk dat haar habijt niet tussen de treden was gekomen.

 

Kloosterfoto Lyda Griffioen.

Wonderwel zweefde tante Zuster soepeltjes naar boven.

Griep!

1 februari 2016 – Vanochtend in bed blijven liggen. Het zat er al aan te komen. Vorige week een gemene tinteling in mijn lip. Een hoestje. Beetje stijf in de knoken. Gisteren brak-ie dan door: de griep. Sta ik ’s middags in de tuin nog haardhout te kloven, een paar uur later zit ik met een dikke deken om me heen te nippen aan een glas hete citroendrank met aspirine d’rin verkruimeld. Ik troost me dat ik de enige niet ben. 84 op elke 100.000 inwoners heeft het, zegt het RIVM. Ze vermelden er vrolijk bij dat een paar jaar geleden 60.000 zielen het leven lieten, 8.000 stuks meer dan begroot. Drastische maatregelen zijn dus geboden.

Het ergst is de nacht. Door de horizontale ligging stuwen de bronchiën het slijm makkelijker naar de neus. Eenmaal daar gearriveerd droogt het op tot een dikke prop. In halfslaap doe je je mond open om toch maar aan lucht te komen. Tot je ontdekt dat je kussen kleddernat is van de kwijl. Neus snuiten heeft geen zin, want de prop zal alleen maar groter zijn geworden. Bovendien wil ik mevrouw G. die heerlijk naast me ligt te ronken niet wakker maken. Ik hoor de eerste vogels kwetteren. Ik zie een mauve waas van licht ergens op de wand. Ik wou dat het halfzeven was. Voor een stomend hete douche die de enorme prop in mijn neus oplost. Maar zover is het nog lang niet.

Ik dommel weg en zie mezelf naar de keuken sluipen. Uit de lade vis ik een grootverpakking satéstokken, van die lange. In mijn ellende heb ik geen keus. Met een zo’n spies peur ik een beetje in mijn neus. Het kriebelt meer dan dat het pijn doet. Ik duw verder. Tot ik op weerstand stuit. Kraakbeen zeker. Ik moet er langs om die vermaledijde prop door te prikken. Ik draai de houten spies en vind een doorgang. Nu flink zijn! Zo erg kan het niet worden, want voorbij de neus kom je uit in de holle ruimte van je voorhoofd. Ik stoot door. Eensklaps zie ik het aanrecht rood kleuren. Bloed en het houdt voorlopig niet op.

Ik mag hopen dat ik ook bij deze griepepidemie niet onder de sterfgevallen buiten of binnen begroting val.

Spuitje

 

10 maart 2014 –  Al maanden zitten we te hopen dat de Heer van de Poezenhemel ons katertje komt halen. Tikkel – want zo heet hij – kwam achttien jaar geleden ter wereld. Samen met zijn zusje Flamoesje kwam hij in ons gezin. Amper drie maanden later dolven we een grafje voor haar. Een pizzabrommertje had haar vol geraakt, met fatale afloop. We ontstaken twee kaarsen, besprenkelden het lijkje met Lourdeswater, en lieten haar drie spades diep zakken. Ik sprak een in memoriam: zoals ze geleefd heeft is ze gestorven, een avonturierster die voor de duvel niet bang was en al slalommend door het drukke verkeer op haar prooi (een muis, een vogel, een vlinder?) af ging.

Maar Tikkel toonde zich toen al geen jager. Zijn risico-arme leven heeft hem heel wat jaren geschonken, tot op vandaag toe. Zijn liefste plekje is op de bank, op zijn vaste lap. Jonge vogels uit nestjes trekken, hij doet er niet aan. Het kan nog sterker. Op een ochtend zag ik in de keuken een merel bezig kattenbrokjes te pikken uit Tikkels bakje. Hij stond erbij en keek ernaar. Wat een joris-goedbloed!

Op een zomeravond twee jaar terug vonden we hem voor dood op zijn lap liggen. Een injectie met prednison en gemalen astronautenvlees maakten hem weer springlevend. ‘Dit doen we niet nog een keer,’ sprak dokter B. gezagvol. ‘In wezen is-ie op.’

Maar dat heeft toch nog vier kilo lang moeten duren. De weegschaal geeft nu 891 gram aan. Ik moet vrezen dat de dierenpolitie mij in de boeien slaat als ze Tikkel zien: vel over been, gammel op de poten, holle oogkassen waaruit het traanvocht overvloedig stroomt. Zoals bij heel oude mensen. Hij krijgt 3, 4 porties seniorenvoer per dag maar hij poept het net zo hard weer uit. Afgelopen zondag heeft zwager F. die ook dierenarts is naar de wegterende patiënt gekeken. We vinden het mooi als Tikkel in de schoot van de familie een spuitje krijgt. Maar we deinzen er ook voor terug. Ondraaglijk lijden zou een geweldig argument zijn. ‘Maar,’ zegt F. ‘we weten dat niet.’ En eigenlijk kan ik dat ook niet geloven, als het beessie zijn fluwelen neusje in mijn gezicht duwt en spint dat het een lieve lust is.

Heer o Heer van de Poezenhemel, kom!

_MG_0279

Naar de kapper

3 maart 2014 – Vanochtend naar de kapper geweest. Het werd ook tijd ook. Mijn broer M. die ik na maanden weer eens zag begroette me met ‘Ugh, brrroederrr Winnetou’. Mijn echtgenote K. riep me vorige week met overslaande stem toe: ‘logisch dat je sollicitaties op niks uitlopen.’ Ik sputterde dat mooi lang haar niet lelijk is. En wat dan nog: ik hoef al jaren niet meer jasje-dasje naar kantoor. Laat mij maar lekker in mijn hol zitten, achter de computer stukjes schrijven. Sigaretje erbij en de thermo koffie onder handbereik. Heerlijk toch!

Maar voor de holbewoner die ik inmiddels was geworden bleek een uitstapje naar de dagopvang voor daklozen een onthullende verrassing. Ik kende die mensen alleen van hun uitgestoken hand op het station of bij de bushalte. Van een paar meter afstand vragen ze steevast: ‘meneer, mag ik u wat vragen?’ In het begin trapte ik er in. Je denkt, iemand die verdwaald is zeker, kleine moeite om hem de weg te wijzen. Maar het blijkt om geld te gaan. Ze zijn nog niet klaar met hun prevelementje en hup, daar werp ik al een munt in de uitgestoken hand. Tegenwoordig roep ik pesterig naar een haveloze die vraagt of hij mij iets mag vragen: maar dat doet u al. Maar de humor is niet besteed aan ze.  Daar hebben ze geen tijd voor. Ze moeten meters maken in de stad om hun euro’s te scoren.

In de dagopvang was het anders. Onder mijn lange haar en mijn verwassen Tenson schuilt een jongen die donders goed weet  dat je met een geschoren en gekapte kop het verste komt, wat voor etterbak je verder ook bent. Ik voelde een onaangename werveling van spanning in mijn buik. ‘Je moet wel een stootje kunnen velen,’ had de coördinatrice van de dagopvang mij gewaarschuwd. Maar met een hoop losse munten in mijn zak wist ik me goed voorbereid. Maar geen dakloze die mij erom vroeg. Plots zag ik mezelf in de spiegel van de bar waar kommen met erwtensoep werden gevuld. ‘Holy moly, ze zien me vast als een van hen,’ denderde het bij mij naar binnen. Zo was het. In de rookhoek schoot een graatmagere oude rocker mij aan: ‘Heb jij nog wat gescoord?’ Ik zag blauwe plekken op de rug van zijn hand.

Die afspraak bij de kapper stond al een dag of tien. Dus daar niet van. Ik rekende € 38,50 af.Buiten blies de wind koude lucht over mijn uitgedunde schedel.

Kelder blank

14 oktober 2013  – Van de week wateroverlast gehad. Ik zat tv te kijken, het ging over smeltende ijskappen. In die weidse witte druipende vlakte zag ik een ijsberenjong op een afdrijvende schots. Het beestje stak zijn snuit omhoog of het de windrichting aan het peilen was. Maar ik vergiste me, er ontsnapte een klagend geloei uit de kleine muil. Ondertussen zag je het lekkende smeltwater zich tussen de keien en de ooit eeuwige sneeuw een weg zoeken naar open zee.

Maar of de tragische schoonheid van de pool me aan het gek maken was het gedrup en gelispel van water was ineens heel dichtbij. Te dichtbij. Ik voelde mijn wangen aangloeien van schrik en ongeloof tegelijk.  Het had de hele ochtend geregend en niet zo’n beetje ook. Er drong zich een uiterst ongemakkelijke waarheid aan mij op: de kelder stond blank.

Ik liet het beertje maar aanploeteren, sprong op uit mijn stoel en rende naar het vooronder van het huis. Mijn oren hadden me niet bedrogen, ik zag wat ik zag: een watervlakte met drijvende stukken timmerbalken en -panelen, tientallen verfblikken, duizenden vrolijke legoblokjes en tientallen Mepal borden en kopjes voor op de camping. De zak met de tent was nog niet losgekomen van de vloer en lag er lui als een eiland  bij. Eraan vastgeklauwd zat een muizelijkje. Ik voelde eraan. Het was koud. Of het een actuele drenkeling was, dan wel een oud overschotje, we zullen het niet weten.

In het schemerlicht zag ik de herkomst van het water. Onder de kelderdeur door die buiten van binnen scheidt saste het naar binnen. Ik rende naar de blubbersloot achter waar ik een dompelpomp had liggen.  Met slang en al sleurde ik het apparaat door het huis naar de kelder. Mevrouw G. riep nog: je maakt het tapijt vies. Maar ik wist: ik heb een hoger belang.

Ik sloot de boel aan, op risico van een electrische schok (en dan nog een kelderlijk erbij), maar de zegen was met mij.  Weldadig ronkte het motortje van de pomp en uit de slang op straat vloeide een gestaag stroompje . Er kwam rust over mij. In die rust bedacht ik waarom heb ik al die spullen hier eigenlijk liggen. We doen er al jaren niks meer mee. Al dat timmerhout, de verf, die Lego, de tent: deze kelder is één groot weeshuis van voornemens, want geen tijd, geen geld, geen zin.

De ruimte onder het huis is weer droog. Grote dochter L. is gekomen. Het woord Orde staat in haar hart gekerfd. Ze heeft drie hoeken in de kelder gemaakt: 1. Gooi weg, 2.. Nog bruikbaar, 3. Marktplaats. De lente is gekomen. Al spreken vallend blad en zwiepende regens heel andere taal.

Zingen is een feest

27 oktober 2012 – Vanavond viert mijn nichtje haar verjaardag. Nou ja, nichtje. Ze is 50 alweer en een halve kop groter dan ik. Twaalf jaar na mij geboren en opgevoed met fluor, onverzadigde vetten en veel biologisch geteelde groente. Maar ik heb nog meegemaakt dat de koffie en de suiker op de bon waren, mijn ouders hun potkacheltje op het Spinozaplantsoen met turf stookten in plaats van dure steenkolen. Een povere jeugd veroorzaakt minder groei. De rijke jaren zestig, toen de chips op de markt kwamen, hebben mijn groeiachterstand niet goed kunnen maken. In de lengte althans.

Nichtje dus. Ze is vandaag de Sara, maar eigenlijk heet ze P. Vanwege de mijlpaal is het geen gewoon verjaardagsfeestje – dat je met de hele familie met z’n allen in een kring zit en van je wijntje moet nippen en niet te gretig naar de Vocking moet tasten (want in zo’n kring ziet iedereen iedereen). Nee. Ze heeft er een project van gemaakt. Zes maanden geleden kwam de vooraankondiging hier binnen. Begin augustus meldde ze dat het een creatief muziekfeest ging worden met familieoptredens tussen de schuifdeuren. Alla, dat kan nog. Maar begin september meldde haar vaste vriend M., dat haar hartewens een muziekstudio was. En of we op giro 1234567 bij wijze van cadeau een bescheiden gift wilden doen. Kon ze een plofkap van kopen, of microfoontjes voor op je revers, wellicht een mengtafeltje voor het grotere werk. Ja, want nichtje P.  – daar ben ik apetrots op – is een begenadigd zangeres. Alleen blijft haar zangkunst maar tussen die rode bakstenen muren van haar huis op Zuilen hangen. De doorbraak hè, die blijft uit. Het applaus, de tranen, de bloemen, de toegift, juichende recensies. Verkommering van de blonde miskende muze op Zuilen dreigt. Maar daar hebben we als familie en vrienden nu wat aan gedaan. Morgen al kan ze met haar soundstudio eigen ceedeetjes opnemen, branden en verkopen via Marktplaats. Sic non transit gloria Petrae!

Ik mag vanavond ook een muzikaal moppie doen. Het wordt een liedje uit de jaren vijftig, toen mijn ouders turf op de pof kochten en de ouders van P. elkaar nog moesten ontmoeten en P. dus nog geboren moest worden. Maar begin jaren zestig kwam het ervan. En een ruime vijftien jaar later toen de generaties de vrijheid hadden ontdekt kwamen de breuken. Daarmee het ontstellende besef dat wat heel is in het oog van een kind niet heel hoeft te blijven, soms niet kán. Vanavond vieren we datgene wat gespaard is gebleven, met liedjes, met herinneringen. De mooie verhalen van vroeger zijn onze redding. En op onze beurt creëren wij voor onze kinderen opnieuw het verleden. Dat ze het maar door blijven vertellen als ze zelf 50 worden. Lief nichtje, prrrrroooooficiat!

 

Toen was geluk nog heel gewoon.

 

Het geheim van Nietzsche

31 augustus 2012 – Op 25 augustus, 112 jaar geleden, eindigde het leven van de man die het denken over religie, kunst en leven verpletterend heeft veranderd: Friedrich Nietzsche. Zijn eenzaamheid, het kind in hem, zijn onhandige verliefdheden, zijn crypto-homoseksualiteit, zijn verloren vriendschap met de componist Wagner en zijn krankzinnigheid in de laatste tien jaar van zijn leven inspireerden mij tot een verhaal.

Veel van Nietzsches leven staat gedocumenteerd in zijn dagboeken en brieven. Maar over zijn erotische aanvechtingen heeft hij een sluier getrokken, zeker waar het zijn homoseksuele oriëntaties betrof. Op een dag verlaat hij heimelijk zijn vrienden in Rome en neemt de boot naar Sicilië. Daar zit een kolonie van homoseksuelen die als de oude Grieken en Romeinen in de volle natuur leven. Daar ontmoet hij de mooiste jongen van allemaal, de ‘Moor’.

‘Geen man, geen vrouw, meester & knecht, blanke & neger in een.’

De Moor lachte hem verstolen toe.  Zijn tors leek gehouwen uit  zwart Italiaans marmer. De zon gaf hem een gouden kleed dat de rondingen van zijn schouders, borst, heupen en billen extra deed uit komen.  Zijn ogen fonkelden als Sirius en Pollux aan de nachthemel. De vierkante kaaklijn, de Griekse neus en de dunne lippen verrieden zijn afkomst uit een Berbervolk dat van heersen wist. Maar zijn donkere huid en zijn kleine gestalte duidden ook op negerbloed. Als dieren moesten zijn voorouders door de zompige aarde van het regenwoud gekropen hebben, op zoek naar knollen of een maaltje termieten. Met die gedachten in zijn hoofd  zag Nietzsche de Moor op zich afkomen.  Hij voelde zijn hoofd vol licht stromen en zijn buik vol trillende lucht. Voor hem stond een perfect  niet door mensenhanden gemaakt kunstwerk: blanke en neger, meester en knecht in één. Nietzsche liet zijn blik langs de rondingen van het fotomodel glijden: de kleine gespierde billen, kuiten van beetgaar vlees, de buik die vanaf de borstkas als een zacht glooiende vallei breed eindigde in de heupkom en de borst met tepels die als de voelsprieten van de Macchiaslak vooruitstaken. De Moor glimlachte geluidloos. Nietzsche keek en de Moor liet zich bekijken. Als een kunstwerk dat niets wil. Eenzame autonomie.  Nietzsche raakte in verwarring van dit geheimzinnige wezen. Het was geen vrouw, maar ook geen man. Op het hoorntje van vlees na dan dat onderaan de heupkom onmiskenbaar tussen het krulhaar tevoorschijn kwam.

Het hele verhaal vind je in het boek ‘Prikkeldraad’, te krijg voor luttele 17,50 euro in de boekhandel, bij mij of via http://www.de-dochters-tekstredactie.com/HET%20BOEK.html

Zo wilde ik het zeggen, zo staat het geschreven.

De drie hoofdpersonen in mijn verhaal. Rechts Nietzsche, daarnaast zijn vriend Paul Rée en in de hondenkar Lou von Salomé. Beide mannen dongen naar haar hand, voor beide liep het niet goed af.

Alles is in beweging

’n Utrechts verhaal vol weemoed

Licht, lucht en ruimte. Mijn ouders vonden het in 1956 in de nieuwe Utrechtse wijk Hoograven. De stad had het weidegebied van het dorp Jutphaas geannexeerd om nieuwe woonruimte te creëren voor de almaar uitdijende Utrechtse bevolking. Het gezin Griffioen droeg daaraan bij. Met een vierde kind op komst werd het benauwde etagewoninkje bij de Douwe Egberts aan het Amsterdam-Rijnkanaal kleiner dan het al was. En zo verhuisde ons gezin naar de Scherpenburglaan 8, een flatwoning met maar liefst twee verdiepingen, speciaal bestemd voor grote katholieke gezinnen. De wijk was lang niet klaar. Vanaf het balkon hadden we uitzicht op een enorme zandstrook met bergen klinkers voor de weg die zou worden aangelegd. Ons kinderparadijs. We bouwden hutten als kastelen tot mama ons riep voor het avondeten.

Vandaag sta ik weer op de Scherpenburglaan. Waar eens ons paradijsje lag strekt zich een vierbaansweg uit die Hoograven met twee andere wijken verbindt. Ik ben verrast door de speelse belijning, de doordachte architectuur en de menselijke maat van de gebouwcomplexen. De filosofie van architecten als  Rietveld die dit stadsdeel ontwierpen staat hier nog recht overeind. Ik zou zo weer terug willen. En waarom ook niet?

Ik speur op de naambordjes in het portiek. Bij nummer 8 staat ‘El Ouakili’. Zoiets was te verwachten. Want op vrijwel elk balkon zit een schotelantenne gemonteerd. Rietvelds schepping heeft heel wat flaporen gekregen. Ik bel aan. Ondertussen bereid ik mijn prevelementje voor. Ik zou het huis van binnen willen zien. De klap die mijn zusje Claar bij het trapspringen maakte nog een keer willen horen. Ik zou nog een keer uit het raam van mijn jongenskamer willen springen. Met een paraplu als parachute die me in glijvlucht naar de begane grond zou brengen. Ik ben benieuwd of de bewoners nog steeds moeten baden in dat onmogelijke lavet.

De deur gaat open. Een jonge vrouw staat voor me. Ze heet Saida, stelt ze zich voor. Of ik over een paar maanden wil terugkomen, want haar ouders zijn in Marokko. Zij kan mij geen toestemming  geven om het huis binnen te gaan. ‘Ai,’ knarst het in mijn hoofd. ‘Wat is erop tegen om mij even een kijkje binnen te gunnen?’ Maar ik moet haar weigering respecteren. Het is hun huis tenslotte, al heb ik hier nog zoveel zoete herinneringen liggen. Ik vertel Saida hoe we hier leefden, de koning te rijk waren. Ze raakt geïnteresseerd. Ze vraagt tot wanneer we hier hadden gewoond. ‘Tot 1966,’ zeg ik en hoop dat ze de deur verder openzwaait. Maar de dochter des huizes blijft standvastig. Ze wil ‘eventueel’ afspreken dat ze mij volgende week binnenlaat, dan is haar oudere zus er ook. Saida wil nog wel kwijt dat mevrouw Van der Top van de derde woonlaag onlangs verhuisd is naar een bejaardenzorgcomplex. Die mevrouw was een mysterie voor mij als kind. Een man had ze niet. Wel een zoontje, Henkie, met wie we de dikste kameraadjes waren. Ze was altijd charmant gekleed, liep op hoge hakken en had lange blonde lokken ‘Lieve vrouw,’ zegt Saida, ‘dat lange haar heeft ze nog. Ze had zo’n moeite om hier – na 55 jaar – te vertrekken.’

Door het deurgat valt mijn oog op de huiskamer van de familie El Ouaki. Boven de schoorsteenmantel prijkt een sierafbeelding van een boek met Arabische lettertekens, omlijst door zilverig metaal. ‘De Koran,’ gok ik. ‘Ja,’ zegt Saida met een glimlach door zoveel herkenning. ‘Weet je,’ haak ik in, ‘vroeger hing op die plek ons kruisbeeld.’ ‘Wat mooi,’ reageert Saida.

Buiten rollen de auto’s over mijn kinderparadijs. Alles is in beweging.

(Eerder verscheen in Huurwijzer, ledenblad van de Woonbond)

Hier leer ik fietsen.