Skip to content

I was there!!!

3 februari 2012 – Van de week op en neer geweest naar Rome. Ik wilde de plek bezoeken waar de filosoof Friedrich Nietzsche en het meisje Lou von Salomé hun nooit geconsumeerde liefde begonnen. In de wirwar van straatjes rond het Colosseum vond ik dé plek, 120 jaar na dato: de Via della Polveriera. Voor mij verrees zo’n 19e eeuwse appartementenflat, waarmee de booming Europese steden toen volgestouwd werden. Een rose gepleisterd onbenaderbaar blok in de schaduw van net zo’n  blok ertegenover. Op de hoek een espressobar, waar je niet alleen voor je ristretto terecht kan, maar ook voor coca-cola, panizetti en plastic replica’s van het Colosseum. Er ging iets door me heen bij dat gebouw, een soort Boudewijn Büch-gevoel. Die ging naar de gekste plaatsen om de relieken van gestorven schrijvers aan te kunnen raken en erover te vertellen in zijn tv-reisverslagen. Nu liep ik hier hoogstpersoonlijk in de voetsporen van Nietzsche en Lou.


Rome, Via della Polveriera

Hier had de socialiste Malwida von Meysenbug een kunstenaarssalon voor de Duitse kolonie. Hier probeerde ze Nietzsche en Lou aan elkaar te koppelen.

Maar slechts in de straat lopen was me niet genoeg. Ik wilde het appartement waar ze verbleven hadden van binnen zien, verwijlen tussen de zware velours gordijnen waartussen Nietzsche en Lou misschien kiekeboe hadden gespeeld, hoofdpijn krijgen van oud stof, de putlucht ruiken van het gootsteenkastje, waar misschien nog een aangebroken fles Chianti stond waaruit Nietzsche gedronken had. Ik wilde de zindering van verhoopte liefde & prudité door me heen voelen trekken. Net als het tortelende paar wilde ik op het Franse balkonnetje staan om over het gewemel van de toeristen bij de Romeinse arena te filosoferen, onderwijl mijn hand leggend op de ranke leest van Lou.

Voor het juiste huisnummer ging ik te rade bij de Academische Boekhandel tegenover. Het personeel wist het niet. Ze riepen de baas erbij. Ik legde de capo uit dat Nietzsche hier had gewoond, ik zei om extra indruk te maken dottore Nietzsche, en of hij mij aan het huisnummer kon helpen. Zijn antwoord zette me met één klap op harde 21-ste eeuwse grond. ‘Nietzsche filosofo? Ken ik niet. Vraagt u bij de faculteit filosofie,’ en hij bladerde al behulpzaam in een adressengidsje van de universiteit. ‘Ah, Duitser? Probeer de Duitse ambassade, daar weten ze meer.’ Alsof het een Duitse voetbalsupporter betrof die zoek was geraakt.

Ontnuchterd stond ik weer buiten. Ik drentelde nog wat heen en weer over de Via della Polveriera en overwoog om op een willekeurige deurbel te drukken. Maar ja, als de baas van de academische boekhandel nog nooit van Nietzsche gehoord heeft, wat kan ik dan verwachten van zomaar een bewoner?

Maar één ding kan ik zeggen: I WAS THERE! In het volle besef dat de onfortuinlijke Nietzsche Lou hier het hof had gemaakt, dat ze van hieruit per koetsje naar de Sint Pieter waren gereden waar hij haar inviteerde met de in marmer gebeitelde woorden:van welke sterren zijn wij elkaar toegevallen?

Hun verliefdheid was schoon en goddelijk en puur. Maar eindigde na vijf maanden in de verstikkende blubber van zielen die er hun eigen geheimen op na hielden. Nietzsche werd krankzinnig, Lou ging in de leer bij Freud. Ik schrijf over hun liefde die geen liefde mocht zijn in een verhalenbundel die over een maand in de boekhandel ligt, ‘Prikkeldraad, over begeerte en tegenspoed’.

Nadere info over het boek: http://www.de-dochters-tekstredactie.com/Feestelijke%20opening%20op%20vrijdag.html

Advertenties

Sprekende steen

19 januari 2012 – Opeens lag hij daar. Op de stoep voor de kerk waar ik wel eens kom. Geen spoor van vers voegzand. De plotselinge sprekende steen lag volmaakt egaal ingebed tussen de andere tegels, alsof er nooit een stomme steen had gelegen. Wie zou dat gedaan hebben? Ik dacht aan de Kleine Prins. Dat die zulke grapjes uithaalt kan ik me levendig voorstellen. Of Loesje. Maar die is meer van de posters.

‘In de wereld van ambitie zit ik fluitend op m’n fietsie.’ Dat staat er. Voor het rijm heeft de Kleine Prins ‘fietsie’ geschreven in plaats van ‘fietsje’. Literaire fijnproevers gooien zulke versjes meteen in de prullenbak. Want rijmdwang. Maar ik vind het mooi. De Kleine Prins heeft met ‘fietsie’ een woord uit een andere taal geleend, het Utrechts. Het is de taal van de onderklasse, nazaten van de smakkelaars bij de Waterstraat, van de arbeiders van de teloorgegane staalfabriek Demka op Zuilen of machinefabriek Stork op Lombok. Het is ook de taal die je hoort in Stadion Galgenwaard. ‘Achtelijke gladiool, jochie…,’ ik hoor het en voel me thuis. Net zoals die sprekende steen thuis is in het plaveisel van zomaar een Utrechtse straat.

‘Fietsie’ is geen woord van de kerk die een paar passen van die steen ligt. De gelovige gaat immers – als zijn laatste uur is gekomen – niet op de fiets naar de hemel, maar op engelenvleugels. Althans dat is zijn ambitie. Voor die ultieme bonus doet hij goede werken en gaat hij op de knieën en zegt woorden waarvan geen schepsel, geen hond, geen vis, geen grasspriet diepte en breedte begrijpt. Mij overkomt het ook. Een tweederangs acteur ben ik dan, een die niet weet wat hij zegt. Gelukkig herinnert de steen mij eraan dat je lekker op de fiets kunt trappen en nog adem hebt om te fluiten ook.

Utrecht - Sprekende steen

De gelovige gaat niet op de fiets naar de hemel.

 

Werendblog in 2011

The WordPress.com stats helper monkeys prepared a 2011 annual report for this blog.

Here’s an excerpt:

A San Francisco cable car holds 60 people. This blog was viewed about 3.200 times in 2011. If it were a cable car, it would take about 53 trips to carry that many people.

Click here to see the complete report.

Nieuwjaarsbommetje

2 januari 2012 – Gisteravond teruggekomen uit Bad Bentheim. Elk jaar gaan mevrouw Griffioen en ik tussen kerst en nieuwjaar een dagje badderen en stomen in een of ander saunacomplex. Rituele nieuwjaarswassing zeg maar om het vet en vuil uit het oudejaar af te laten glijden. Eerst gaan we altijd de sauna in. Niet dat ik die snikhitte zo’n genoegen vind, maar je waant je in dat schemerduister met wildvreemde gasten om je heen minder naakt dan je bent. Wel zo prettig. Het blootgeven lukt steeds beter als je ziet dat ook je saunagenoten van die pukkeltjes en butsjes hebben Wat je noemt een wen-wensituatie.

‘Thermae 2000’ zat er dit keer niet in. Te duur, ondanks de kortingsbon voor de luxe profetenmassage die ze daar in dat multi-culti Limburg verzonnen hadden. Zo werd het Bad Bentheim, net over de grens bij Enschede. Goedkoop en het originele buitenlandgevoel toe.

Een feest ging het niet worden, vreesde ik bij het aanrijden op de parkeerplaats. Het complex oogde een en al vergane glorie. Bij de kassa zat een über-bruine dame. Ze was gekleed in een verpleegsterspakje. ‘Sind Sie auch die Krankenpflegerin,’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Nee, das bin ich nicht. Aber wir sind ein Heilanstalt, ja. Darum also.’

‘O jee, een Heilanstalt, een gezondheidsinstituut,’ sprak ik mezelf geschrokken toe. Ik stelde me voor dat dokter Vogel en dokter Kneipp  mij daarbinnen met klismaspuiten en broomwater opwachtten en dat na gedane handeling een pleegzuster mij bloedwijn toediende om weer aan te sterken. Ik begon hevig te verlangen naar de profetenbehandeling in Limburg, 250 kilometer verderop.

We betraden het Hallenbad, een kuip ter grootte van een half voetbalveld, vol met bijtend zout water. De blauwe Jugendstiltegeltjes deden hun best om van dit ontsmettingsbad nog iets vrolijks te maken. Op enkele amputees na die het hoofd amechtig boven water trachtten te houden was er niemand. We lieten onszelf te water. Na vijf baantjes had ik het al weer gehad.

‘We gaan bommetjes maken,’ stelde ik mevrouw Griffioen enthousiast voor. ‘Nee joh, dat kan je niet maken,’ repliceerde ze terwijl ze aan haar zesde baantje begon. Maar ik luisterde niet. Ik klom op de springplank, lanceerde me richting plafond en splashte enkele seconden later op het wateroppervlak dat uiteen spatte alsof er een carbidontploffing had plaatsgevonden. Als om goedkeuring te krijgen keek ik met een overwinnaarsblik naar mevrouw Griffioen aan het andere eind van het Hallenbad. Ze keek terug, maar meer ergens achter mij. Ik draaide mijn hoofd en zag een woeste Krankenpflegerin op de rand van het bassin staan. Ik stelde me voor dat ze Helga heette. Ze had een zwemstok in haar handen met aan het einde een grote haak, zo een waar drenkelingen zich aan kunnen vastklampen. ‘Da’s natuurlijk voor de amputees,’ dacht ik in mijn onschuld. Schwester Helga haalde me ruw uit deze misvatting. ‘Raus, raus,’ beet ze me toe en duwde de stok in mijn richting. Ik wilde hem vastgrijpen om me lekker naar de kant te laten trekken. Maar ook dit was een verkeerde gedachte. Wild sloeg ze de stok vlak achter mij in het water. Ik voelde hoe de haak zich net niet in mijn ruggengraat boorde. Ik borstcrawlde voor mijn leven.

Ik hees me op de kant. Daar kwam Schwester Helga aangelopen. Ze was twee koppen groter dan ik. ‘Begreifen Sie nicht, dass es hier kein Wasserwunderland ist?’ brieste ze. Ondertussen was mevrouw Griffioen erbij komen staan. Die nam het voor mij op, dat we toch zeker op Nieuwjaarsdag een beetje Spass mochten maken. Het bracht de verpleegkundige niet tot bedaren. ‘Raus, raus,’ schreeuwde ze en duwde de haakstok in onze richting.

We paniekeerden. ‘Dit komt niet meer goed,’ zei ik tegen mijn gade. We sloegen onze badlakens om de schouders en vluchtten als Adam en Eva het complex uit. Het paradijs was verloren.

U voldoet niet aan het profiel

23 december 2011 – Vanochtend weer een lovend mailtje van een werkgever gehad. Mijn ervaring en opleiding zijn heel niet verkeerd voor de te vervullen functie. De tranen springen me in de ogen over zoveel goede woorden. Ik nam Tikkel in mijn armen en maakte een rondedansje met hem, de oude huiskater die al tien keer dood had moeten zijn vanwege zijn nierproblemen, een vete met de vervaarlijke haan van de buren of telkens de rijweg opschieten terwijl hij weet dat hij halfblind is.

Maar de dreun in dat mailtje volgde direct: u past minder goed/nauwelijks/helemaal niet in het profiel dat ‘wij’ voor ogen hebben voor ‘het succesvol vervullen van de functie’. ‘Helaas zullen wij dan ook niet verder ingaan op uw sollicitatie,’ eindigt het zo hoopvol begonnen mailtje.

Wat-de-hel is dat profiel dan, wil ik weten. Werkgever X houdt het op ‘te weinig affiniteit met branche dan wel product’ en werkgever Y op ‘inpasbaarheid in het team’. Dat soort vaagheden.

‘Zegt u eens eerlijk,’ onderwierp ik een zo’n werkgever aan een empathisch diepte-interview. ‘Heeft de afwijzing met mijn leeftijd te maken?’ (Ik behoor tot de categorie oude-lul-met veel-ervaring.)

‘Nou neuh, dat wil ik niet zeggen. Maar we kijken natuurlijk wel naar het totaalplaatje binnen ons bedrijf. Ja, wat u zegt: profiel, daar komt het wel op neer.’

Ik besloot om niet door te zagen. Zo’n werkgever kijkt wel uit om te zeggen dat hij iemand op zijn leeftijd afwijst. Bovendien had ik de knock-out toch al te pakken.

Ik keek mijn oude kater in diens doffe ogen. ‘Wij passen niet in hun profiel,’ fluisterde ik hem toe. Ik maakte het rondedansje met hem af. Er is nog veel geluk te vinden bij het tevreden gesnor van Tikkel die geen weet heeft van 150.000 oude lullen (m/v) die minister Kamp in 2012 door het land gaat jagen waar ze wel in ‘het’ profiel passen.

 

P.S. Goed voornemen voor 2012: ban ‘helaas’ als je eigenlijk bedoelt ‘gelukkig voor mij, jammer voor jou’. Reacties welkom.

Het regent prijzen

16 december 2011 – Het regent prijzen in Huize Werend! Vorige week een brief van Bea van het Prijzensecretariaat van de Bankgiroloterij dat ik een HEMA CADEAUCARD t.w.v. € 15 had gewonnen. Drie dagen later e-mail van Winston – RTL Boulevard – Gertschanowitz dat ik een gratis postcodelot mét prijsgarantie had gewonnen. Of het niet genoeg is vanochtend een brief van de Staatsloterij met vier kaartjes voor het Spoorwegmuseum. Dolle vreugde hier natuurlijk.

Het dak lekt, de cv op standje zuinig, de douche op lauw, bammetjes met speculoos… maar wij hebben wel hele mooie prijzen bemachtigd. Weer geen kerstpakket gehad en nu dit ineens. Ja, deze werkloze oefen-AOW-er komt de donkere dagen wel door.

Bammetjes met speculoos…

Maar ja, de hoop is natuurlijk wel de hoofdprijs of de jackpot. Mijn zwager die heel geleerd is heeft me uitgelegd waarom ik die ‘hoogstwaarschijnlijk’ nooit zal winnen. ‘Werend,’ zei hij en ik weet als hij zo begint dan komt er iets heel belangrijks, ‘er is een kans van 1 op de 18-biljard dat je de hoofdprijs wint, even veel of beter gezegd even weinig als dat je een meteoriet op je kop krijgt. Daarentegen is de kans dat je kanker krijgt 1 op de 3.’

Tja, zo had ik het nog niet bekeken.

Wat een merkwaardige wezens zijn we. Het geluk denken we graag naar ons toe. Alleen al daarvan worden we blij. Maar dat je keer op keer verliest tot en met het allerlaatste verlies aan toe, dat zit helemaal niet in onze voorhoofdskwabben. Het leven is één langgerekt palliatief proces.

Winston Gertschanowitz

Crisissinterklaas

6 december 2011 – Sinterklaas was lachen. Mijn kinderen (24-30 jaar) hadden een plank bij de Gamma gehaald en er in grote letters op geschilderd: ‘ik zoek werk, tel.06-12345678’. Links en rechts hadden ze er een gat in geboord en er zat een touw bij. Ik hield me van de domme voor wie die surprise nou bedoeld zou zijn.

‘Werend, er zit een gedicht bij. Je moet het wel lezen,’ duwde zoon A. mij wreed vooruit. Daardoor wist ik meteen dat hij de genius achter dit cadeau moest zijn. Ik heb daar bovendien intuïtief bewijs voor. Met drie banen (ik lieg dit niet)  behoort hij tot het tegenwoordig zo populaire volksdeel der ‘Hardwerkende Nederlanders’.

 

Ik voelde me er als naoorlogs geboorteoverschot ineens een beetje bijhangen.

 

Vanuit mijn ooghoek zag ik  hoe K., mijn vrouw (ook Hardwerkende Nederlander, 1 baan), mij een driftige knik toewierp van ‘toe, gun ze die lol nou’. Ik liet me aanspreken op mijn grootsheid. Vooruit. Ik las het gedicht:

Lieve Werend,

het zit je tegenwoordig niet zo mee.

Nog lang niet toe aan de AOW

zit je in de gort.

Daarom dit sprekende bord 

voor onder je kop.

Ga daarmee in galop

naar het station en/of HC

en doe er je voordeel mee.

 

Ik verslikte me zowat in een pepernoot. ‘Dank-u-wel Sinterklaas,’ reageerde ik beduusd. ‘Dat had u echt niet hoeven doen.’ Ik voelde me er als naoorlogs geboorteoverschot ineens een beetje bijhangen. Nog naar adem happend hoorde ik door de luidsprekerboxen de smartlap van Jacques Herb schallen ‘Wer-re-ke-loos, hoeft toch geen scha-han-de te zijn, maar veroorzaakt lee-heed en pijn’. Dit had zoon Q. (Hardwerkende Nederlander nummer 3, 1,5 baan) op zijn geweten. Ja, Sinterklaas was lachen.

 

Vanochtend de Volkskrant van zaterdag doorgenomen. ‘Crisis goed voor u,’ las ik. Wat blijkt? Hoe meer werkloosheid, des te minder verkeersdoden, echtscheidingen, hartaanvallen, beroertes, geboortesterfte en milieuvervuiling. Hoppa!

Ik ga helemaal niet met dat bord op Hoog-Catharijne zitten. Nergens voor nodig.

Welkom crisis!

Na een barre Sinterklaas toch weer positief gestemd!

 

 

 

Sloebergeluk

26 november 2011 – Het zijn barre tijden. Maar één lichtpuntje: ik vierde onlangs mijn eenjarig jubileum als werkloze. We hebben een gevulde koek op tafel gezet. Uit een verroest blikje Buisman hebben we de laatste korrels koffieversterker geschraapt. Met een plens water zat er in de kopjes toch een warm koffievermoeden. Ja, armoe troef in Huize Werend. De kinderen reageerden lief, ondanks het minipuntje vulkoek en het bruine water in hun kopje. Dochter L, met ongeneeslijk optimisme in haar DNA, zei: ‘Je moet je gewoon voorstellen dat het cola is en dan proef je het ook.’ De schat!

Al een maand of acht hebben we het luxe Boulognebrood (3 euro, gesneden 10 cent extra) van de Albert Heijn vervangen voor het moutbrood van de Lidl (97 cent, gesneden). Ook deze zaterdag ben ik tegen vijven weer naar de markt gesneld, waar de kooplieden hun gebutste appels en gescheurde mandarijntjes voor de vuilophaaldienst achterlaten. Ik verzamel het en breng het als kostbare buit mee naar huis. Voor de vitamientjes, tegen de scheurbuik.

’s Ochtends zie ik diepe kerven in de echtelijke sponde

Ja, je moet toch wat. Maar met de Sint in aantocht en tot overmaat van nooddruft de Kerst begin ik het benauwd te krijgen. Ik droom van een Sinterklaas die bij de buren links glimmende I-pads door de schoorsteen gooit en bij de buren rechts die een hotel drijven een enorm poolbiljart. Maar ons huisje slaat hij stilletjes over. ’s Ochtends zie ik tot mijn verbazing diepe kerven in het eiken van de echtelijke sponde. K., mijn vrouw, zegt: ‘Ik had al de indruk dat je zo onrustig sliep.’

Maar komt tijd, komt raad. Vanochtend zag ik in het ijsvakje van de koelkast twee vergeten dozen banketstaaf liggen. En een paasbrood met krenten en zo. Nog van vorig jaar, toen we van alles teveel hadden. Wat een sloebergeluk!

Je kunt er prima mee leven!

Utrechtse rap: Sint Maarten is dope

(7 november 2011)

Check die man

Sint Maarten is dope

Gaf ‘n stuk van zijn bling jacka

aan een poor brada

Geef ook jij wat je geven kan:

’n brasa en a bit of hope

Kom in de flow!

 

Mi was laatst in Outka hopperdeshop

voor lauw patta’s en zo meer

Zegt me zo’n pauper skinny pop

‘Mastah, ik ben gerold en skeer,

Leen me voor de loco ‘n eur of tien

Ma oldie mam

ligt op scrap in Roffadam,

Ik wil haar insh-Allah nog even zien.

Hé dushi, zeg ik, ya credits zijn fucking fake

Ya loekoe big

van da wittie of da spacey cake

HC is ya nasty crib.

 

Probeer me niet te flashen.

Maar ya tori is fokking gers,

Mi give you de doekoe en God bless.

 

Mi kwam toen in zo’n glim-glam toko,

Met lekka-lek shit en banya flex stilo

Yo bombe hopy stuff at ma feet!

’t was full of bangsa in da greed

voor design en spiffy pimp

à la de cheapest cash

Die sfeer ging mi scandi narren.

Mi zei: “Salaam,” tot ‘n shoppi gast,

Prakseer waar dis stuff been made,

Misschien in dampoe gruw sweatshops,

Is dat forsho fair trade?

Respect, gardash, show props,

To da goedoe kids in Afrika

En al da braz en siz wat moet pienaren

en vaak krepeer tot six feet box, wollah!

Wandel chill, doe als Sint Maarten!

 

Sint Maarten in de Utrechtse Domkerk die sinds de 12e eeuw aan de volksheilige is gewijd.

 

 

 

 

Werenfried en zijn graf

30 september 2011 – Vandaag een column over mijzelf. Ik kan wel allerlei meningen over anderen ten beste geven, maar mezelf steeds buiten schot houden is laf. Journalisten hebben daar een mooi excuus voor: ze moeten ‘objectief’ zijn en ‘dienstbaar’ aan de mediaconsument. Maar toch… Daarom petje af voor Jaap van Deursen van het RTL4-journaal. Cuby – Nights in white satin, weet je nog Jeske hoe we daarop in de beatkelder schuifelden – van de Blizzards was gestorven. Jaap – met zijn grijze kop en flink embonpoint – bracht het item met zichzelf al gitaarspelend onder een boom met hangende takken. Ja, Cuby dat was de blues met zijn jankende snaren en groggy stem over verloren liefdes, drank, drugs, dood & graf. Jaap probeerde hem na te doen, maar gaf al gauw toe nog niet in diens schaduw te kunnen staan.

Dat Cuby dood is stelt me voor het keiharde feit dat wat ooit was definitief voorbij is. Met Jeske is het niks geworden, een jointje hou ik ook niet meer van en de elpees met Cuby en ook John Mayall and the Bluesbreakers staan krom te trekken in een vochtige kelderkast. M’n haar is niet meer kleurecht en alles gaat hangen, Eén troost: mijn haargrens trekt op. En m’n tandvlees ook. De dokter heeft gezegd dat ik binnen het jaar stekeblind word. Ik overweeg een LOI-cursus braille. Ik kijk sinds die jobstijding met ongewone belangstelling naar blinden hoe ze omhoog kijken, misschien wel omdat ze God hopen te zien. Ik stel me voor hoe ook ik straks met opgeheven hoofd door het leven zal gaan. Jaap gefeliciteerd, want we zijn een beetje van hetzelfde bouwjaar en ik zie dat jij ook nog ziet.

Maar toch knabbelt de grijnzende dood stukje bij beetje aan ons leven. Ik verdraag nog amper alcohol, dus binge drinken is er niet meer mij. Mijn lever straft me genadeloos af met een moeheid waar niet tegenop te slapen valt. Eigenlijk verbaas ik me dat ik nog leef. En nog wel met enige doodsverachting, gezien mijn acrobatische manier van fietsen door de stad, belaagd door pizzakoeriers op hun snerpende brommertjes en hufterige automobilisten die me naar de kant drukken.

In die sfeer van doodsverachting ben ik van de week het graf van Werenfried wezen bezoeken. Zo heet ik eigenlijk. Mijn ouders vonden het een mooie gedachte om mij naar een oud-Hollandse heilige te vernoemen. Ze waren de enigen niet. De Adelberts, de Willibrords, de Ludgers etcetera zijn allemaal van het na-oorlogse geboorteoverschot.

Dat graf dat was wat. Je vindt het in Elst bij Arnhem in de Grote Kerk. Onder de vloer staat zijn zandstenen sarcofaag (= vleeseter). De archeologen hebben er een bordje bij gezet: sarcofaag toegeschreven aan de Heilige Werenfried. Ik ben op de rand gaan zitten. Ik peinsde over het leven en de liefde en over alles wat krom trekt en tot puin vervalt.

Ik en het graf van de H. Werenfried in Elst